U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Woordenlijst


Omdat op deze website nu en dan woorden voorkomen die jou misschien niet zo bekend zijn, vind je hier een verklarende woordenlijst. Deze werd samengesteld door zr. Elisabeth, onze jongste medezusters. Zij heeft hiervoor uitvoerig geput uit: Mathieu Spiertz, 'Van Aartsbisschop tot Zonnelied. Sleutels tot het katholiek erfgoed', Nijmegen 1998.Woordenlijst Marcus
Woordenlijst Marcus

  

Aanbidding: Stille lofprijzing van God bij de geconsacreerde >hostie

 

Abba: Met dit Aramese woord, dat ‘vader’ betekent, sprak Jezus God aan (Mc 14,36).

 

Abdij: Klooster waar >monniken, >monialen of reguliere >kanunniken leven onder leiding van een >abt of >abdis.

 

Abdis / Abt: Hoofd van een communiteit van >monialen / >monniken.

 

Advent: De tijd van voorbereiding op het kerstfeest, die op de vierde zondag vóór Kerstmis begint. Dit is ook het begin van het >kerkelijke jaar. Het is een tijd van boete en inkeer.

 

Altaar:1. Verheven plaats waarop het offer wordt geplaatst dat aan de godheid wordt opgedragen. 2. In de katholieke kerk de tafel waaraan de >eucharistie wordt gevierd.

 

Ark van het Verbond: De kist waarin de stenen tafelen met de Tien Geboden rustten. (zie Decaloog)

 

Ascese: 1. Alles wat betrekking heeft op het doelbewuste en standvastige streven van de christen naar de christelijke vol-maaktheid. 2. Inspanning, strijd.

 

Atheïsme: Ontkenning van het  bestaan van God.

 

Bedevaart: Een tocht, individueel of in groep, naar een heiligdom of cultusplaats om er te bidden of boete te doen.

 

Beschouwende orde: Orde met veel nadruk op de zorg voor de >liturgie en het >koorgebed. De leefwijze binnen zo’n contemplatieve orde wordt bepaald door een sterk gemeenschapsleven waarbij stilte, handenarbeid, studie en bezinning een belangrijke plaats innemen.

 

Biecht: Het >sacrament waarbij na een berouwvolle belijdenis de zonden door de priester, in naam van God, worden vergeven.

 

Bijbel: De verzameling van heilige boeken van Joden en christenen, ook Heilige Schrift genoemd.

 

Bisdom: Kerkelijk gebied dat door een >bisschop wordt bestuurd.

 

Bisschop: 1. In het Nieuwe Testament aanduiding zonder nadere bepaling van de graad. 2. Kerkelijke bestuurder van een >bisdom die het gezag bezit om herder te zijn van de hem toevertrouwde gelovigen.

 

Brevier: Liturgisch gebedenboek met teksten van het >koorgebed. Kloosterlingen, priesters en diakens bidden het elke dag.

 

Broeder: Niet-gewijd lid van een religieuze >orde of >congregatie, die de >geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd.

 

Broederschap: Kerkelijk goedge-keurde vereniging van leken, opgericht ter bevordering van religieuze activiteiten.

 

Cantor: 1. Voorzanger. 2. Leider van de liturgische koorzang.

 

Celebrant: De priester of bisschop die voorgaat in de >eucharistie.

 

Christen: Degene die door de >doop volgeling van Jezus Christus is geworden.

 

Christus: Naam voor Jezus. Centrale belijdenis van het Nieuwe Testament dat Jezus van Nazareth de ‘Gezalfde’ – de ‘Messias’ is.

 

Communie: Het nuttigen van de geconsacreerde >hostie tijdens de >eucharistie.

 

Concilie: Kerkvergadering van de >bisschoppen.

Congregatie: Groepering van kloostergemeenschappen die door een bisschop zijn erkend en waarvan de leden >geloften heb-ben afgelegd. We onderscheiden >zusters, >broeders (fraters) en >priesters (>paters). Zij leggen zich vooral toe op onderwijs, ziekenverpleging, bejaarden- en armenzorg.

Consecratie: Het belangrijkste deel van de eucharistie. De priester spreekt de woorden die Christus bij het Laatste Avondmaal sprak. De kerk leert dat brood en wijn tijdens de consecratie worden veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus. (Zie ook >Eucharistie)

Contemplatieve orde (zie Beschouwende orde)

 

Convent (zie Klooster)

 

Credo: Geloofsbelijdenis.

 

Decaloog: Tien Geboden die Mozes op twee stenen tafelen beitelde. (Ex 20, 1-7 en Dt 5,6-21)

 

Deken: Hoofd van een dekenaat (of van een kapittel).

 

Dekenaat: Deel van een >bisdom bestaande uit parochies.

 

Diaken: Persoon die krachtens zijn >wijding mag preken, de geloofsleer mag uitleggen in de catechese, de doop mag toedienen en kan helpen bij pastorale bedieningen.

 

Doop: Het >sacrament waardoor iemand wordt opgenomen in de kerkgemeenschap en de gemeenschap met Christus.

 

Drieëenheid: Leerstuk volgens welk in het ene ondeelbare wezen van God drie goddelijke personen bestaan; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook Triniteit genoemd.

Eucharistie: Het >sacrament waarbij zowel het Laatste Avondmaal als het kruisoffer op Golgotha en de verrijzenis van  Christus worden herdacht. Tijdens de eucharistie worden brood en wijn veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus (>consecratie). De eucharistie kent twee delen, de dienst van het Woord met de lezingen en de dienst van de Tafel met de offerande, het hooggebed en de >communie.

Exegese: Theologische wetenschap die zich bezighoudt met de verklaring van de >Bijbel vanuit de grondtekst.

 

Frater: (zie Broeder)

 

Fraterniteit: 1. Broederschap. 2. Gemeenschap die wordt gevormd door de mannelijke bewoners van een klooster.

 

Gardiaan: Overste van een klooster van minderbroeders.

 

Geestelijke: Dienaar van de Kerk, in het bijzonder een priester.

 

Gelofte: Een vrijwillig aan God afgelegde belofte waarbij men zich tot een zekere handeling verplicht. Bij de toetreding tot een >orde of >congregatie belooft de persoon de >regel en de evangelische raden te onderhouden. Bij de kloosterlijke >professie wordt na het >noviciaat eerst de tijdelijke geloften afgelegd van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Daarna worden, bij gebleken geschiktheid voor het kloosterleven, de eeuwige geloften afgelegd.

 

Getijden van het koorgebed: De uren waarop het >koorgebed wordt verricht. Ook (goddelijk) Officie genoemd. Voor het koorgebed zelf gebruikt men ook het woord getijden. De onderdelen van het koorgebed zijn gebonden aan bepaalde, vaste uren van de dag en de nacht. De getijden zijn: lezing-endienst (metten), morgengebed (lauden), middaggebed (onder-verdeeld in priem, terts, sext en noon), avondgebed (vespers) en dagsluiting (completen).

 

Goede Vrijdag: De dag waarop de kruisiging van Jezus wordt herdacht.

 

Goede Week: Week voor Pasen waarin het lijden van Jezus wordt herdacht.

 

Habijt: Lang kloosterkleed dat door vrouwelijke en mannelijke kloosterlingen wordt gedragen.

 

Heilige Stoel: 1.Benaming die gebruikt wordt voor het gezag van de Paus. 2. De pauselijke regering.

 

Hostie: Een rond, dun schijfje ongedesemd brood, dat tijdens de >eucharistie wordt >geconsacreerd en tijdens de >communie wordt uitgedeeld.

INRI: Afkorting van de Latijnse tekst die aan de kruisbalk van Jezus hing: ‘Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum’ = Jezus van Nazareth, koning der Joden.

Jahwe, JHWH: Israëlische naam van God. De naam die God zich-zelf gaf (Ex 3,14): ‘Toen sprak God tot Mozes: "Ik ben die is".

 

Kanunnik: 1. Lid van een colle-giaal kapittel dat als voornaamste taak heeft te zorgen voor de plechtige viering van de >liturgie en voor het dagelijks >koorgebed in de kerk. 2. Lid van een kathedraal- of een domkapittel. 3. Lid van een orde van reguliere kanunniken (= lid van een collegiaal kapittel dat in de 12e eeuw een spirituele basis zocht in de >regel van Augustinus).

 

Katholiek: (Grieks = algemeen) Duidt de universele kerk aan, ter onderscheiding van de plaatselijke gemeente.


Kerstmis: Het hoogfeest van de geboorte / menswording van Jezus Christus (op 25 december). Een van de belangrijkste leerstellingen van het christelijk geloof die inhoudt dat het Woord van God, de tweede Persoon van de Heilige Drieëenheid, de menselijke natuur heeft aangenomen in Jezus van Nazareth.

 

Kerk: 1. Naam van een religieuze gemeenschap die in God gelooft. 2. Afzonderlijk georganiseerde christelijke gemeenschap. 3. Het gebouw waarin de religieuze gemeenschap samenkomt voor de eredienst.

 

Kerkelijk jaar: De herdenking gedurende de jaarkring van het gehele mysterie van Christus: vanaf de menswording tot aan >Pinksteren en tot de verwachting van de komst van de Heer. (Zie ook Advent)

 

Klooster: Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde >orde of >congregatie een gemeenschappelijk leven leiden.

 

Kloosterorde: Religieuze gemeenschappen die door de paus zijn erkend. De leden leggen >geloften af.

 

Kluizenaar: Persoon die zich uit vroomheid van de wereld afzondert en in een kluis woont – (h)eremiet.

 

Koor: 1. Ruimte in een kerk waarin het centrale >altaar staat. 2. Ruimte in een kerk waarin het >koorgebed wordt gezongen.   3. Zowel de gemeenschappelijke zang van een groep als de groep zelf wordt er mee aangeduid.

 

Koorgebed: Het dagelijkse en gezamenlijke bidden van de >getijden door >kanunniken, >monniken of >monialen en andere groeperingen van >religieuzen. Zie ook >Getijden van het koorgebed.

 

Lauden (zie Getijden)


Leek: In religieuze betekenis  iemand die niet gewijd is. Algemeen: iemand die weinig verstand heeft van een vakgebied.

Liturgie: Dienst des Heren: de volg-orde van gebeden, lezingen, preek en ritueel in een religieuze dienst.

 

Maria: Moeder van Jezus. Er is een sterke verering tot Maria – zij is dé voorspreekster bij God. In het begin van het evangelie van Lucas wordt er uitvoerig over haar verteld.

 

Meditatie: Vorm van innerlijk gebed.

 

Messias (zie Christus)

 

Mis (zie Eucharistie)

 

Misdienaar: Iemand die de >priester assisteert als deze voorgaat in de >eucharistie.

 

Monialen: Vrouwelijke kloosterlingen van een >orde, meestal >slotzusters, die het >koorgebed bidden.

 

Monasterium: een klooster waarin monialen leven.

 

Monnik: De kloosterling die door kerkelijke >geloften gebonden in een besloten gemeenschap leeft.

 

Monotheïsme: Het geloof in het bestaan van één God.

Novice: Iemand die verlangt in een klooster opgenomen te worden en daartoe een vormingstijd doormaakt.

 

Noviciaat: 1. Een door het kerke-lijk wetboek voorgeschreven proeftijd (van één of twee jaar) voor kandidaat-religieuzen: >novicen. Deze zijn als >postulanten aan hun vorming tot kloosterling begonnen. Tijdens het noviciaat is men nog niet door >geloften aan de >orde of >congregatie gebonden. 2. De plaats van deze proeftijd.

 

Oecumene: (Grieks = wereld-wijd, alomvattend). Het streven om de verdeelde christelijke kerken tot eenheid te brengen.

 

Openbaring: De manier waarop God bekend wordt bij de mensen (bijv. de bijbel).

 

Orde: Gemeenschap van perso-nen die aan een bepaalde >regel zijn gebonden en >geloften hebben afgelegd. Leven onder leiding van een overste in een abdij of klooster. Hebben een lange en oude traditie.

 

Orthodox: (Grieks = rechtgelo-vig). 1. Streng vasthoudend aan de overgeleverde kerkleer. 2. De Oosterse Kerk heeft dit predikaat op zichzelf toegepast om daarme het onderscheid met de westerse kerk aan te geven.

 

Orthodoxie: Rechtzinnigheid in de leer.

 

Overste: Degene die de leiding heeft in een >klooster.

 

Parochie: Een nauwkeurig omschreven gebied dat een zelfstandig onderdeel van een >bisdom vormt met een eigen >kerkgebouw en een >pastoor.

 

Pasen: 1. Pesach, het joodse feest ter herinnering aan de uittocht van het joodse volk uit Egypte. 2. Christenen vieren de heropstanding van de aan het kruis gestorven Christus. Pasen is de centrale viering van het >kerkelijke jaar.

 

Passie: Het lijdensverhaal van Christus of van een martela(a)r(es).

 

Pastoor: Priester aan wie door de >bisschop de zorg over een >parochie is toevertrouwd.

 

Pastor: Degene die lokaal belast is met de zielzorg (niet altijd gewijd – kan ook een vrouw zijn).

 

Pater: Benaming voor een >priester die lid is van een >orde of >congregatie.

 

Paus: De opvolger van Petrus, bisschop van Rome, patriarch van het Westen, hoofd van de katholieke kerk en sinds 1929 ook hoofd van de Vaticaanse staat.

 

Pelgrim: Iemand die zich voor religieuze motieven op weg begeeft en op bedevaart gaat.

 

Pij (zie Habijt)

 

Pinksteren: Christelijk hoogfeest waarop de nederdaling van de Heilige Geest wordt gevierd.

 

Polytheïsme: Het geloof in het bestaan van meer goden.

 

Postulant(e): Man of vrouw die om opname in een klooster-gemeenschap verzoekt en bereid is tot een proeftijd.

 

Priesterschap: Het >sacrament dat door de >bisschop aan mannen wordt toegediend (na een opleiding). De priester dient een middelaar tussen God en mensen te zijn. Hiertoe kunnen zij ook >sacramenten toedienen.

 

Processie: Plechtige optocht van gelovigen.

 

Proost: De persoon die is aangesteld als >pastor voor sommige gemeenschappen of verenigingen.

 

Psalterium / Psalter: Bijbelboek der Psalmen of gebedenboek met de 150 psalmen die tijdens het >koorgebed worden gezongen of gebeden.

 

Rector: Priester die zielzorg uitoefent in een niet-parochiale >Kerk.

 

Regel: Geheel van voorschriften voor leden van een >orde of >congregatie.

 

Reguliere kanunniken (zie Kanunnik)

 

Retraite: Tijd van afzondering en gebed waarin men mediteert en eventueel conferenties over religie of spiritualiteit bijwoont.

 

Ritus: 1. Geheel van liturgische handelingen en gebeden, die in samen een viering vormen, bijvoorbeeld de >eucharistie.    2. Het geheel van liturgische voorschriften.

 

Roeping: Het zich door God getrokken weten om je leven op Hem af te stemmen.

 

Sacrament: Handeling in de >Kerk, waarmee een heilsgebeu-ren symbolisch zichtbaar gemaakt wordt. De sacramenten hebben de heiliging van de mensen en de opbouw van de >Kerk als lichaam van Christus tot doel. De zeven sacramenten van de katholieke kerk zijn: >doop, >vormsel, >eucharistie, >biecht (sacrament van de verzoening), >ziekenzalving, >priesterwijding en >huwelijk.

 

 Sacramentalia: 1. Zegeningen, verricht door bedienaren van de Kerk, zoals van medailles, zieken, auto’s, … 2. Benaming voor voorwerpen die gewijd zijn, zoals (wij)water, kaarsen,

 

Slot: De afgezonderde ruimte van een >klooster die voorbehouden is aan kloosterlingen (en waarbinnen zij leven).

 

Slotzuster: Kloosterzuster van een >beschouwende orde. (zie Monialen)

 

Spiritualiteit: Een religieuze levenshouding en het elan waarnaar men wil leven en die bepaalde accenten legt

 

Tabernakel: 1. Tent die de Israëlieten meedroegen tijdens hun tocht door de woestijn en waarin de >Ark van het Verbond stond. 2. Rijk versierd kastje waarin de geconsacreerde >hosties worden bewaard.

 

Thora: Joodse naam van de vijf boeken van Mozes: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.

 

Traditie: 1. Het proces van de ononderbroken overlevering van het christelijk geloof in en door de Kerk van Christus vanaf de tijden van de apostelen tot op heden. 2. De inhoud van dit overleveringsproces.

 

Transcendent: (Latijn = over iets heenstijgend) Van buiten de wereld: hetgeen onze waarneembare werkelijkheid te boven gaat.

 

Triniteit (zie Drieëenheid)

 

Vasten: Gehele of gedeeltelijke onthouding (van bijv. voedsel) om religieuze motieven.

 

Vaticaan: 1. De pauselijke residentie als centrum van het katholieke geestelijke en wereldlijke gezag. 2. De pauselijke regering.

 

Veertigdagentijd: Periode die op Aswoensdag begint als voorbereiding op >Pasen. Het is een periode van heroriëntatie op de christelijke levenspraktijk. Zie ook Vasten.

 

Verrijzenis (zie Pasen)

 

Vespers (zie Getijden)

 

Voorbede: Gebeden tijdens een liturgische viering uitgesproken waarin intenties worden genoemd.

 

Vormsel: Het >sacrament waarbij de kracht van de Heilige Geest over de gedoopte wordt afgeroepen om het christelijke geloof moedig en standvastig te belijden en te beleven.

 

Wijding: Benaming voor het opdragen, bestemmen van personen of zaken voor de dienst van en aan God. De bedienaar van de wijding is de >bisschop. Men onderscheidt de hogere en de lagere wijdingen. Tot de hogere worden de wijding tot >diaken, >priester of >bisschop gerekend. De lagere (bijv. lezer/ lector en misdienaar/ acoliet) gaan aan de hogere wijdingen vooraf. De lagere behoren tot de door de kerk ingestelde >sacramentalia en niet tot de >sacramenten.

 

Witte Donderdag: Donderdag voor >Pasen. Viering en gedachtenis van het Laatste Avondmaal – op de avond vóór de dood van Jezus. De liturgie viert de instelling van de eucharistie en van het priesterschap.

 

Zaligsprekingen: Een verzameling van uitspraken van Jezus die allemaal beginnen met ‘Gelukkig is…’ Ze staan in Mt 5 en Lc 6. Zij betreffen vooral de verhouding tot de medemensen en tot God.

 

Ziekenzalving: Het >sacrament van de zieken. Zij worden met olie onder handoplegging en gebed gezalfd.

 

Zuster: Algemene naam van vrouwelijke kloosterling van een >orde of >congregatie.

 

Zonnelied: een lied dat Franciscus van Assisi componeerde op het eind van zijn leven. Dit lied wordt ook 'Lofzang voor de schepselen' genoemd omdat God erin geloofd en geprezen wordt om al zijn schepselen.