U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Artikel over Clara's vreugde


 

‘Zo’n grote vreugde!’

zr. Trees Cooman osc

 

GoudbloemGoudbloem

 

"… en niemand zou mij van zo’n grote vreugde kunnen vervreemden!”
(H. Clara)

 

 
Bovenstaand citaat uit de derde brief van Clara van Assisi, in 1238 aan Agnes van Bohemen gericht, zegt waar het de geestelijke zuster van Franciscus om te doen was. Maar wat bedoelde ze met “zo’n grote vreugde”? Wat is de bron van die vreugde?

 

De tijd waarin Clara leeft, is niet de meest rustige. Het feodale stelsel wankelt. De opkomende burgerij roert zich. Vorsten betwisten elkaar de macht. De paus en de keizer willen hun invloed op de groeiende en onderling rivaliserende steden vergroten. Ambachtslui en handelaars werken zich los uit het korset van de adel en worden de nieuwe rijken.

 

Het Assisi van Clara en Franciscus is een speelbal van machten en een plek van conflicten. De vader van Franciscus, een handelaar in stoffen, hoort bij hen die de stad besturen. Hij is een rijk man en zijn zonen leven als rijken. Op alle mogelijke manieren zocht Franciscus naar eer, bezit en macht. De familie van Clara hoort bij de stadsadel en bezit veel gronden rond Assisi. De rivaliteit tussen adel en burgerij loopt uit op het verdrijven van de adel uit de stad en het aanslaan van hun bezittingen. Clara’s familie is er de dupe van.

 

Dat alles draait uit op een oorlog tussen Perugia en Assisi in de slag van Colestrada. Assisi verliest. Franciscus belandt in de gevangenis van Perugia. In die onfortuinlijke situatie wordt hij met zijn neus op het armoedige en broze leven geduwd. Dit is het begin van een totale ommekeer. Alles wat hem tot dan toe belangrijk leek, wordt hem uit handen geslagen. Hij laat de confrontatie toe en ontdekt in de arme zijn gelijke.

 

Clara van haar kant doet al heel jong de ervaring op dat bezit en macht geen grenzeloze, fundamentele zekerheid biedt, dat rijkdom en eer te vergankelijk zijn om er een leven op te bouwen. De oorlog en haar verbanning uit de stad doen haar begrijpen dat de strijd om de macht de diepmenselijke waarden in de samenleving aan flarden slaat.

 

Als Clara Franciscus hoort prediken, herkent zij in zijn woorden haar eigen diepe verlangen. Clara gaat met Franciscus spreken. Ze voelt zich aangetrokken tot het eenvoudige leven van de Speelman van Assisi. Ze ziet er het leven van Jezus in weerspiegeld. Op Palmzondag 1212, waarschijnlijk op 18 maart, verlaat Clara het ouderlijke huis en sluit ze zich aan bij de beweging die Franciscus op gang heeft gebracht. Als de moeilijkheden met haar familie overwonnen zijn, gaat Clara in San Damiano wonen. Franciscus en zijn broeders hadden deze kapel hersteld en er een kloostertje aan gebouwd. Heel snel sluiten zich bij Clara jonge vrouwen aan, die zich de arme vrouwen van San Damiano noemen.

 

Zich spiegelen

Door zich steeds te spiegelen aan het leven van Jezus wordt voor Clara het door-God-bemind-zijn de enige echte rijkdom. Het enige ‘feest’ om van te leven, is de liefde van God en het vermogen om lief te hebben. De luister van dit innige ‘feest’ verdringt al het andere naar de achtergrond. Het besef bemind te zijn door God is haar genoeg om van te leven. Bovendien wil ze hier een uitdrukking aan geven in goedheid, dienstbetoon, eerbied en betrokkenheid op anderen, in vergeving en in de aanvaarding van de broosheid en de kwetsbaarheid van zichzelf en van de ander. Zij houdt het leven van Jezus daarom steeds voor ogen. In dat leven kan ze immers zien hoeveel God van de mens houdt. In Jezus werd Gods onvoorwaardelijke liefde voor elke mens zichtbaar. Die grote liefde, die alles in het bestaan riep, werd klein, kwetsbaar en arm geboren en stierf als een verworpene.

Vooral het beeld van de kribbe en het kruis bepalen Clara’s visie. In de menswording van Gods zoon ziet zij het allerhoogste in het allerkleinste, het machtigste in het meest hulpeloze en de oneindige sterkte van de liefde in een kwetsbaar kind. Zo, en op geen andere manier, openbaart God zich. Maar Clara koppelt daar ook gedachten aan vast over haar eigen menswording: ze beseft dat ze méér mens wordt, als ze haar kleinheid, kwetsbaarheid en zelfs haar zonden met zoveel liefde kan opnemen dat dit de vergelijking kan doorstaan van een moeder die haar kind koestert. Zijn liefde is eerst, uit die liefde putten wij om te beminnen.

In haar derde brief aan Agnes van Bohemen schrijft Clara: Zie hoe duidelijk dit is: door Gods genade is de ziel van de gelovige mens, het waardigste der schepselen, groter dan de hemel. Want de hemelen samen met alle andere schepselen kunnen de Schepper niet bevatten, alleen de ziel van de gelovige is zijn woning en zetel, en dit alleen door de liefde (…).

Vanuit de liefde van God voor elke mens en voor al wat leeft wil Clara leven. Clara wenst vorm te geven aan het diepe besef dat elke mens en alles wat geschapen is deelt in die Liefde. Alles en allen noemt zij daarom haar zus of broer, de hele schepping wordt in de universele broederschap betrokken. Franciscus gaf woorden aan dit besef in zijn beroemde Zonnelied: “Geloofd zijt Gij, Heer, door heel uw schepping…” De grote elementen die in die jubel de revue passeren –  broeder zon, zuster maan en de sterren, broeder wind, zuster water en broeder vuur, zuster dood – worden in één groot feest opgenomen; zelfs de vergeving en het verdragen van behoeftigheid en ziekte helpen om het feest compleet te maken.

Het Zonnelied is het feestlied van de verzoening met de levenwekkende én de vernietigende krachten in mens en natuur. Die erkenning leidt naar deemoed en mededogen, zonder dat de lof voor God in mineur komt te staan.

 

Een schat in aarden potten

Het is een genade om in het spoor van Clara te gaan. Door gebed en inkeer beseffen wij dat wij gegrondvest en geworteld zijn in de onvoorwaardelijke liefde van God, en dat wij vanuit zijn liefde onszelf en de ander kunnen beminnen en aanvaarden zoals wij en de anderen zijn. Die aanvaarding geeft ruimte. Verschillen tussen mensen mogen werkelijk verschillen blijven. Wie echt kan genieten van die leven gevende ruimte heeft de vrucht van het mededogen geproefd, maakt zich los van het eigengereide verlangen en gaat de smalle weg op van de belangeloze dienst. Bestaat de kracht van een gemeenschap niet hierin dat er ruimte is, zowel voor de broosheid als de sterkte van de ander?

Uit de aanvaarding van de armoede wordt tevens de vreugde geboren en kiemt de liefde. Het is ons ook een vreugde als zoekende mensen bij ons de ruimte vinden om het wezenlijke op het spoor te komen. Toch blijven we mensen onderweg: leven vanuit Gods liefde, in eenvoud en vrede, dat is het enig noodzakelijke, het diepste verlangen van de mens.  Het enige bezit dat waarde heeft en een onvergankelijke feeststemming in zich draagt. En Clara vervolgt: “…want ik bezit reeds waarnaar ik onder de hemel steeds heb verlangd.”

 

verschenen in het tijdschrift de Kovel 2012

 

Trees Cooman (°1954) is claris in het monasterium Zonnelied in Oostende.