U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Bron 19


 

Ik zeg je: sta op!

 

Opwekking van de dochter van Jaïrus Mc. 5, 21-43Opwekking van de dochter van Jaïrus Mc. 5, 21-43

 

Onlangs kregen we in de liturgie het opwekkingsverhaal te horen van het dochtertje van Jaïrus, de overste van de synagoge. Je kan het verhaal hieronder nog een keer lezen als je wil. Wat moeten we met zo’n wonderverhaal over de opwekking van een dood kind. Eigenlijk gaat het om twee verhalen in één. Een vrouw die al 12 jaren aan bloedvloeiing leed, dacht bij zichzelf, als ik zelfs maar zijn kleren kan aanraken, dan zal ik al genezen zijn.

 

Beide verhalen zitten vol symboliek. Als we die weten te verstaan dan komen deze zogenaamde wonderen veel dichter bij en kan je ze ook aan jezelf laten gebeuren. De vrouw leed al 12 jaar aan haar kwaal, het dochtertje van Jaïrus was 12 jaar. 12 is het symbolisch getal van de volheid. Jezus had 12 apostelen en er waren 12 stammen van Israël enz.

 

In beide verhalen zie je overeenkomsten. De kern van deze verhalen is: ‘Je geloof heeft je genezen’. Het valt op dat Jezus nooit zegt: ‘Ik heb je genezen’. Nee, je geloof heeft je genezen.

 

Maar in de overeenkomsten zie je ook verschillen of tegenstellingen, er zit een duidelijke spanning in. Beiden worden ‘dochter’ genoemd, terwijl het meisje een dochter is van een vooraanstaande man, en de vrouw eenzaam is en alleen gelaten, een verstotene omwille van haar kwaal. Zij was namelijk ‘onrein’ in de ogen van haar volksgenoten. Jezus haalt haar terug in de kring en maakt haar opnieuw ‘dochter’. Zo spreekt Hij haar letterlijk aan. De vrouw die geïsoleerd was wordt als dochter opgenomen in een leven-gevende gemeenschap. De vrouw merkt dat zij van haar kwaal genezen is, niemand anders ziet of weet het, alleen zij. En Jezus schrijft het niet toe aan zijn kracht, maar aan het geloof van de vrouw zelf. Daarin zit het grootste wonder, dat je God geloof en vertrouwen durft te schenken, je in het verborgene zal ontdekken dat Hij aanwezig is en helpt! God geneest door zichzelf helemaal te geven en Hij leert ons: doet gij evenzo! Alleen door jezelf weg te schenken, kan je anderen genezen.

 

 

 

Voor de overste van de synagoge was het een grote stap om Jezus om hulp te vragen. Misschien is het dat voor ons ook. Zeker om te geloven dat God werkelijk hulp kan bieden of beter nog: dat wij ‘genezen’ gewoon door op zijn hulp te vertrouwen. De Bijbel staat vol met voorbeelden van mensen die zichzelf met veel moeite moeten overwinnen om de stap te zetten God om hulp te vragen.

 

Wat deze papa van het kleine meisje aan Jezus vraagt is niet min; Hij vraagt om leven voor zijn dochter die stervende is. Leven betekent in de Bijbel: een volwaardig bestaan. Dood betekent: gevangen zitten in een zinloos bestaan. Jaïrus vraagt eigenlijk veel meer dan hij zelf beseft. Maar dan komt de boodschap: uw dochter is gestorven, waartoe de meester nog langer lastig vallen, het is toch al te laat nu, het heeft geen zin meer, ze is gestorven. Nu wordt het bijna onmogelijk voor Jaïrus om nog te geloven. Toch zegt Jezus: wees niet bang, blijf maar vertrouwen… zelfs nu de situatie helemaal uitzichtloos is. 

 

Nee, God neemt onze moeilijkheden niet zomaar weg, Hij lost ze ook niet op, Hij zegt wel voortdurend: wees niet bang, blijf vertrouwen. ‘Bang zijn’ betekent in de Bijbel: gebrek aan geloof hebben. Als wij bang zijn, kan er geen wonder aan ons geschieden. Angst is de slechtste raadgever die er is. Thans is het mensen heel eigen bang te worden. Als we Jezus mogen geloven, is daar geen reden toe omdat God er is, zelfs in de meest uitzichtloze situaties of beter nog: juist vooral hierin.

 

Jezus gaat het huis binnen van Jaïrus en zegt tegen de mensen die luid wenen en rouwklacht houden: het kind is niet dood, het slaapt. Een vreemde uitspraak toch, alsof Hij niet weet dat het meisje dood is. Ze lachten Hem dus vierkant uit, alsof er nu nog redding zou kunnen komen. Ze geloven er niet meer in. Daarom stuurt Jezus hen allemaal naar buiten en neemt alleen de ouders van het meisje mee en drie van zijn leerlingen. Ook dit is weer een teken want telkens in de evangeliën als Jezus drie van zijn leerlingen meeneemt, dan staat er een groot mysterie te gebeuren.

 

 

De evangelist Marcus, die dit verhaal optekent, doet hiermee een oproep aan ons oog te krijgen voor dit mysterie. Hij roept op om met liefde te leren kijken, ook in onze onderlinge relaties. En dat veronderstelt een heel andere blik. Het is een heel voorzichtig leren binnentreden in het mysterie van de andere mens, ons tegenover. Wij moeten de menigte, de massa aan gevoelens van haat en jaloezie en afgunst telkens opnieuw achter ons laten om de ander onbevooroordeeld tegemoet te kunnen gaan. Veroordelen is in feite gemakkelijk. In 5 min. tijd kan je iemand tot op de grond afbreken met je tong. Met liefde leren kijken wil zeggen dat één mensenleven haast te kort is om de ander echt te leren kennen.

Mensen hebben elkaar nodig om te kunnen leven, wij zijn op elkaar aangewezen. Jezus geneest daarom ook altijd binnen de gemeenschap van mensen die de ander dragen. Het herstel van een mens hangt samen met het herstel van relaties.

Jaïrus vroeg aan Jezus, zijn kind de handen op te leggen opdat het zou genezen. Jezus echter neemt het kind bij de hand vast. ‘Hij nam de hand van het kind. Dit is typisch voor de evangelist Marcus, telkens als Jezus iemand opwekt, neemt Hij bij de hand. Een mooi beeld dat betekent: trek je maar aan Mij op! Hij geeft letterlijk een bevel aan het kind: meisje, Ik zeg je: sta op! Het echte wonder is niet zozeer die opwekking, maar het geloof van Jaïrus dat Hij zich aan God kan optrekken, letterlijk.

Zulk een wonder kan ook aan ons gebeuren, het kan ons letterlijk genezen, maar aan de buitenkant is er weinig van te zien, tenzij dat je er een ander mens door wordt, tenminste voor wie het ziet, voor wie kijkt met de ogen van het geloof. Daarom draagt Jezus de mensen die het gezien hebben op, er met niemand over te praten. Zijn wonderen zijn niet sensationeel, ze zijn gericht op ons hart, en willen ons openen voor de wonden, om ze aan de Heer toe te vertrouwen. Wonden en wonderen liggen heel dicht bij elkaar, zijn met elkaar verweven.

  

 

Het gebaar dat Jezus dan stelt, is zo diep menselijk. Het meisje stond onmiddellijk op en begon rond te lopen en Hij zei, dat men haar te eten moest geven. Ook eten is in de Bijbel weer een symbolisch teken. Jezus vertrouwt het meisje onmiddellijk weer toe aan de zorg van haar ouders. Het missaal geeft daar een prachtig commentaar op van A.F. Wyers:

‘Wanneer Jaïrus zich stort in dit avontuur, geschiedt het ongelooflijke, - maar het geschiedt, als was het een onderdeel van het gewone leven. Misschien kan dit ons duidelijk maken wat het eigenlijk zeggen wil, wanneer wij vanuit onze zorgen, vanuit ons verdriet, onze onzekerheden, onze wanhoop, in staat zijn te zeggen: ik geloof in U, Heer. Ik weet dat op dat moment nog altijd geschiedt wat in dit verhaal zo prachtig staat geschreven: op het moment waarop wij ons aan God toevertrouwen, geschiedt het ongelooflijke; daarna gaat het dagelijks leven weer verder’.

Ja, het dagelijks leven, want ook de liefde moet gevoed worden, ze blijft niet zomaar automatisch in je hart. Wij zijn aan elkaars zorg en liefde toevertrouwd en dus stelt Bertus Aafjes ons de vraag: ‘Lieveling, hoe gaat het met je hart?’

Help jij iemand terug rechtop te staan? Of ben je bereid het wonder van nieuw leven aan jou te laten gebeuren? Om zo sterk te vertrouwen op de Heer, dat je geloof in Hem je 'geneest'?

 

Bij Marcus 5, 21-43 lezen we:

Toen Jezus weer met de boot was overgestoken, verzamelde er zich een grote menigte bij hem, en hij bleef aan het meer. Een van de leiders van de synagoge, die Jaïrus heette, kwam naar hem toe, en toen hij Jezus zag viel hij aan zijn voeten neer. Hij smeekte hem dringend: ‘Mijn dochter ligt op sterven; kom haar de handen opleggen om haar te redden en te zorgen dat ze in leven blijft.’ Hij ging met hem mee. Een grote menigte volgde hem en verdrong zich om hem heen. Onder hen was ook een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze had veel ellende doorgemaakt door de behandeling van allerlei artsen, aan wie ze haar hele vermogen had uitgegeven zonder dat ze ergens baat bij had gehad; integendeel, ze was alleen maar achteruitgegaan. Ze had gehoord over Jezus, en ze begaf zich tussen de menigte en raakte zijn bovenkleed van achteren aan, want ze dacht: Als ik alleen zijn kleren maar kan aanraken, zal ik al gered worden. En meteen hield het bloed op te vloeien en merkte ze aan haar lichaam dat ze van de kwaal genezen was. Op hetzelfde ogenblik werd Jezus zich ervan bewust dat er kracht uit hem was weggestroomd. Midden in de menigte draaide hij zich om en vroeg: ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ Zijn leerlingen zeiden tegen hem: ‘U ziet dat de menigte zich om u verdringt en dan vraagt u: “Wie heeft mij aangeraakt?”’ Maar hij keek om zich heen om te zien wie het gedaan had.  De vrouw, die bang was geworden en stond te trillen omdat ze wist wat er met haar was gebeurd, kwam naar hem toe en viel voor hem neer en vertelde hem de hele waarheid.  Toen zei hij tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees genezen van uw kwaal.’

 

Nog voor hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’ Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de leider van de synagoge: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ Hij stond niemand toe om met hem mee te gaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. Ze kwamen bij het huis van de leider van de synagoge en zagen daar een groep mensen die luid stonden te huilen en te weeklagen. Hij ging naar binnen en zei tegen hen: ‘Waarom maken jullie zo’n misbaar en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, het slaapt.’ Ze lachten hem uit. Maar hij stuurde hen allemaal naar buiten en ging met de vader en moeder van het kind en de leerlingen die bij hem waren de kamer van het kind binnen. Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: ‘Talita koem!’ In onze taal betekent dat: ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’ Meteen stond het meisje op en begon heen en weer te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen was met stomheid geslagen. Hij drukte hun op het hart dat niemand dit te weten mocht komen, en zei dat ze haar te eten moesten geven.