U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Getuigenissen van Véronica Selleger


Ben je wel eens in het prachtige Vézelay geweest? Deze getuigenis van Veronica Selleger laat je iets proeven van het unieke van dit kleine dorpje in Frankrijk en de broeders franciscanen van la Cordelle die er wonen. Zij deelt met je wat het voor haar betekent daar te mogen 'thuiskomen'. De meeste foto's die je hier kan zien zijn gemaakt door Joris De Bruyne.

 

 

Was het liefde op het eerste gezicht? Nu 40 jaar later, zie ik, eerlijk gezegd, niet meteen mijn ‘geliefde Madeleine’ voor mij. Wat ik zie is een groen tentje, verscholen in het struikgewas, aan de rand van een weiland…. én ik zie ons zitten in de zon, op een stoeprand in het dorp, mijn vriendin Katinka en ik. Wij eten samen éclairs, langwerpige soesjes gevuld met karamelsaus, die er uit komt spuiten als je er in bijt.
We waren 19 jaar oud. Met Katinka en een vriend was ik naar Vézelay gelift. We kampeerden ‘wild’ op verscholen plekjes in het bos, of tussen de struiken. Ik weet niet meer waarom we Vézelay hadden gekozen. Wisten wij dat we daar ‘de mooiste kerk van de wereld’ zouden vinden?
 
 
Het was de tijd van voor de mobieltjes. Mijn moeder bleef achter in Nederland. Nu ik zelf kinderen heb, begrijp ik wat zij doormaakte. Als er nieuws was, zou zij schrijven naar het postkantoor van Vézelay: ‘poste restante’. Dáár lag het telegram op mij te wachten! Met trillende vingers maakte ik het open:  ‘Je ben aangenomen voor de studie Geneeskunde in Amsterdam’. We dansten op de stoep voor het postkantoor. We renden de straat over naar de bakker en we kochten éclairs om het te vieren. We gingen zitten op een stoeprandje, terwijl de karamel over onze vingers liep.
 
 
Toen wist ik nog niet dat deze zelfde bakker,  jaren later, een verjaardagstaart zou bakken voor mijn dochter op haar 21-ste verjaardag en voor mijn zoon op zijn 16-de. Toen wist ik ook nog niet dat een blonde langharige geneeskundestudent vanuit Amsterdam naar Vézelay was gefietst en op de camping had gestaan met zijn tentje. Was het het zelfde jaar? Hadden we elkaar daar toen al kunnen ontmoeten?
Nu is het de plek waar wij samen thuis komen; al jaren.  Waar ik steeds weer heen wil om tot rust te komen: nieuwe energie en inspiratie te vinden.  Zo dierbaar en eigen, dat ik niet altijd zorgeloos kan genieten van het vakantiegevoel. Vézelay is zo thuis dat wij de zorgen van de inwoners kennen, dat wij soms wakker liggen over toekomstplannen van de gemeente, dat we ons boos maken als de harmonie wordt bedreigd.
 
 
We slaakten een zucht van verlichting toen de kleine supermarkt van sluiting werd gered. Dat was een spannend moment voor het dorp, toen een Marokkaan de winkel overnam. De winkel aan de Rue St. Etienne waarlangs  elk jaar een miljoen culturele of religieuze toeristen omhoog lopen. (Als je nog nonnen en priesters wilt zien, moet je daar een halfuurtje op de stoep gaan zitten.)  Het dorp keek met argwaan naar de ‘vreemde’ Marokkaanse winkelier. Maar al snel stal hij het hart van de oude vrouwtjes voor wie hij de boodschappen de heuvel op droeg. En toen op een ochtend de oudste bewoonster, een klein krom vrouwtje van honderd (!), niet in zijn winkel verscheen… toen liep hij naar haar huis om te kijken wat er aan de hand was. Gelukkig was ze niet gevallen of dood, maar vanaf dat moment had Bachir wel zijn plek in de gemeenschap veroverd.
 
 
Als wij er zijn, dan zet ik, net als thuis, de wekker op zeven uur. Alleen voelt het heel anders.  De dag ligt aan mijn voeten. Mijn man laat ik lekker slapen. Met onder mij arm de ‘prières du temps présent’ loop ik langs het café, door de stadspoort, langs de stadswallen naar het landweggetje. Elke ochtend is het uitzicht anders. Soms kom je reeën tegen of een vos.  Links in de vallei ligt het dorp Asquins in de nevelen.  Dit dorp met haar Église St. Jacques, was de woonplaats van Aimeric Picaud, de 12e eeuwse monnik die de eerste pelgrimsgids naar Santiago de Compostella schreef.  Hier liggen de voetstappen van acht eeuwen pelgrims.
 
 
Aan het eind van het weggetje, tegen de flanken van Vézelay ligt het kleine Franciscaner klooster te wachten, la Cordelle. Het is nog gesticht in opdracht van Franciscus zelf. Ik ga door het poortje, steek het tuintje over, dat eigenlijk een openluchtkerk is (het dak is lang geleden verdwenen) en open voorzichtig de deur naar de kapel. Je weet nooit wie je zult aantreffen.  Soms is er één broeder in gebed, soms zitten de banken tegen de muur vol met dorpelingen, toeristen, pelgrims en andere onbekenden. Bijna altijd zit links naast de deur mijn Nederlandse vriendin Annie.

 

Ik zoek een plek en wacht in stilte op het begin van het ‘office’, het getijdengebed. Mensen die later aansluiten krijgen een gebedenboek in de hand gedrukt. Broeder Gilles vertelt op welke pagina’s we moeten zijn.


En dan beginnen we: ‘Seigneur ouvre mes lèvres…’, ‘Heer, open mijn lippen, en mijn mond zal uw lof verkondigen’ (een opening uit de Joodse traditie, duizenden jaren oud). Ik word opgenomen in de golfbeweging van vraag en antwoord. Soms realiseer ik mij wat er werkelijk staat, soms schrik ik van de heftigheid van de psalmtekst, maar vaak gaat mijn aandacht vooral naar de muziek, het ritme, de adempauze tussen de verzen. Soms vind ik het lang en knort mijn lege maag hoorbaar voor iedereen, en soms word ik geraakt. Dan staat de tijd even stil.   
 
Meestal volgt na de getijden een korte mis. Dan sta ik daar zomaar in het Frans uit de bijbel voor te lezen - we doen dat bij toerbeurt -  terwijl ik toch dyslectisch ben, én Nederlands. Maar er is aandacht, mildheid en humor. We omhelzen elkaar bij de vredeswens en we besluiten altijd met het Benedictus. Annie leerde dat ooit uit haar hoofd, terwijl zij een groot grasveld maaide: ‘Béni soit le Seigneur, le Dieu d'Israël ………. pour conduire nos pas au chemin de la paix’: onze voeten te richten op de weg van de vrede.


Na de mis hangen we even na. Soms krijgt een pelgrim de zegen voor de weg naar Santiago, en vaak is er iemand die mij een lift terug naar boven aanbiedt. Maar die neem ik nooit aan.
 
Ik loop het smalle paadje op, langs het kruis van St. Bernard, door de porte de la Sainte Croix, recht naar boven naar de basiliek, de Madeleine van Vézelay. In het voorportaal word ik begroet door de meest swingende Jezus die ik ken. Vanuit het timpaan strekt hij zijn reusachtige handen uit naar alle volkeren van de  wereld.  Als ik de kerk inloop valt de ochtendzon door de ramen in het oosten. De bruin en wit gestreepte romaanse bogen doen denken aan de Mesquita in Cordoba. De kerk is leeg en stil.
 
Als ik afdaal naar de crypte sta ik oog in oog met het reliekschrijn van Maria Magdalena. Voor mij is het niet belangrijk van wie het onderarms-botje werkelijk was. (Het is tweemaal zoek geweest en tweemaal ‘teruggevonden’.) Hier hebben generaties gelovigen gebeden tot de vrouw die de eerste getuige was van de opstanding, de ‘apostel onder de apostelen’. Je voelt haar aanwezigheid. Ik steek een kaarsje aan en ga zitten op het randje in de rots waar ik altijd zit, mijn plekje... even maar….
   
Op de weg terug, naar beneden, de hele hoofdstraat af, voel ik mij licht en gelukkig. Ik passeer de crêperie de la Coquille, het café en het postkantoor. Ik koop boter, melk, eieren en appels bij Bachir en bij de bakker ‘pain de vigneron’ en croissants. Toch maar geen éclairs voor bij het ontbijt.
 
Veronica Selleger


God raakt mensen doorheen de gewone gebeurtenissen en ontmoetingen van alledag. Graag nodigen we je uit om eens uit te schrijven hoe of waar Hij jou geraakt heeft. En als je nadien anderen graag deelgenoot wil maken van deze getuigenis, dan kan je het, hier met anderen delen die geraakt worden door jouw verhaal... Een overweging van Veronica Selleger, zeker de moeite van het lezen en overwegen waard!

Thuis best?

 

 

 

Ik was net terug van een paar dagen Frankrijk. Mijn familie had mij achtergelaten in het Franciscanenklooster, om de hoek bij Notre Dame de Montrouge.
 
 
In deze parochiekerk is onze vriend frère Jean Baptiste tot priester gewijd. ‘Montrouge’, die naam had toen nog geen bijklank. Ik zwierf één hele dag heerlijk alleen door Parijs. Toevallig stuitte ik op de Grote Moskee, die is opgericht ter nagedachtenis aan de Noord-Afrikaanse strijders, omgekomen voor Frankrijk in de loopgraven in 1914-1918 (http://www.mosqueedeparis.net). Ik las de plaquettes en dwaalde door tuinen, exotische zalen en patio’s met fonteinen.   
 

Als je alleen in een grote stad bent, is het fijn om een vertrouwde uitvalsbasis te hebben. Het klooster aan de Rue Marie Rose voelt dierbaar en vredig. Het is altijd een veilig toevluchtsoord geweest, ook voor onderduikers in de oorlog. Maar in 1944 kostte dit ideaal de vicaris van het klooster, père Corentin,(foto) op dramatische wijze het leven. Hij werd door de Gestapo doodgeschoten, in de kloostergang. Daar, naast de deur van de refter, hangt nu zijn portret.
 

Bij mijn vertrek van Gare du Nord, zag ik veel zwaarbewapende politie. Het gaf geen veilig gevoel.

Terug in Nederland, dacht ik na over vroeger en nu. Ik begon te schrijven over een bezoek, eind 2014, aan onze dierbare Amsterdamse Obrechtkerk, de kerk waar wij ons zo thuis hebben gevoeld, waar Maartje en Eveline eerste communie hebben gedaan en waar ik het  Onze vader en het Credo in het Latijn leerde zingen. Ik schreef over onze verhuizing naar Baarn en onze overstap naar de Maria Koningin. Hoe ik het Latijn in het begin had gemist en hoe verbaasd ik was dat we allemaal bij elk lied opveerden om staande te zingen. Kortom, ik beschreef een kleine cultuurshock.

Maar dat was niet het enige…

Juist terug in de Obrechtkerk voelde ik dat deze kerk nu niet meer mijn ‘thuis’ was. Het stelt mij gerust dat deze parochie de schoonheid van de liturgie, het erfgoed, koestert en bewaakt, maar ik mis er nu de ‘nabijheid’ van de Maria Koningin. Ik ben gaan houden van onze ‘ongelikte’ liturgie, van de openheid, ruimte voor verschillen tussen mensen. Het gevoel dat wij samen kerk zijn, met zoeken, vallen en opstaan. De omarmende liturgie: niet een heilig schouwspel waarbij je mag aanschuiven, maar werkelijk samen  vieren, als gemeenschap. Ik vind het ‘huiselijk’ als iemand in de viering vraagt of de microfoon wat harder kan of als iemand opstaat om ook nog even een mededeling te doen. Ik vind het nu heerlijk om elk lied staande te zingen. Als er één moment was, waarop wij wisten dat wij als gezin hier nu thuis zijn, dan was het bij ons 25-jarig huwelijk. De viering, met mijn vriendin Cecile, onze neef Jos en frère Jean Baptiste samen als voorgangers, het Familiekoor om ons heen, en al die lieve reacties en felicitaties van vrienden uit onze gemeenschap.
 
 
Tot hier was ik met mijn ‘overweging’ gekomen, en tóén gebeurde het in Parijs.

We zaten dagen aan de televisie geplakt. Ik zag Kees volschieten bij de executie van een agent en ik werd geraakt door burgemeester Aboutaleb: “Ce soir, je suis un Parisien”. Waar ben je thuis?  De foto van de mooie jonge agente in Montrouge bleef mij achtervolgen. De grote Moskee kwam op de televisie: leiders van verschillende godsdiensten hielden daar samen een minuut stilte. Maar toen was het nog niet afgelopen...
 

Uiteindelijk was er die enorme manifestatie. Het enige mogelijke antwoord, aan de angst voorbij: eenheid in verscheidenheid, niet alleen in Frankrijk, maar ook dichtbij huis. Zoals wij als Christenen, in onze kerken, niet allemaal de zelfde cultuur hoeven te hebben, zo mogen wij in de maatschappij ook verschillen. Maar we moeten elkaar wel respecteren en naar elkaar luisteren. Laten we de terroristen, de fundamentalisten én de vreemdelingenhaters niet de kans geven ons uit elkaar te drijven.

En voor de Maria Koningin…. Wij mogen trots zijn op onze gemeenschap, waar openheid is en ruimte voor verschillen, waar wij over de grenzen van onze kerk heen blijven kijken, waar wij goede contacten hebben, niet alleen met de andere kerken in ons dorp, maar ook met onze overburen in de moskee. Dat mogen we best van de daken schreeuwen!

Veronica Selleger


 


Loslaten


Sinds twee weken lijkt het thema van mijn leven: loslaten wat dierbaar is. Gelukkig gaat het niet over mensen, maar wel over goed onderwijs, onderwijs waar wij heel trots op zijn, over een dierbaar gebouw én over mijn studenten-stamkroeg.

Voor ons mooie, goede onderwijs, ben ik nog aan het vechten. Ik loop tegen structuren van macht aan. Het geeft mij het gevoel dat alle moois dat wij de laatste jaren hebben gecreëerd niet wordt gezien door de professoren.

Het mooie gebouw is de Villa op het terrein van de Vrije Hogeschool in Driebergen. Hier kwam ik als achttienjarige tot bloei. Aan het jaar op deze school hield ik vriendschappen voor het leven over. Drie jaar geleden hielden we nog een reünie, en wandelde ik met mij grote liefde uit die tijd door de tuin. We luisterden naar elkaars levensverhaal, met dartelende konijntjes voor ons uit op het graspad. Nu is de villa afgebrand, in één nacht reddeloos verloren.
 
En dan is er mijn stamcafé, de Schutter in de Voetboogstraat. Na eenenveertig jaar gaat het dicht, omdat het niet kan overleven in de moderne tijd.

Onze kinderen zijn de derde generatie die van dit café houdt. Ik zie mijn moeder nog zitten: een slanke grijze dame, die nooit naar cafés ging en daar zomaar op mij zat te wachten met een kleintje pils. (Hield ze wel van bier?) We hadden afgesproken in mijn stamkroeg en zij was op tijd. Ze had de moed gevat om de donkere trap op te klimmen – het café is op de eerste etage – en had een plekje gekozen aan de ronde stamtafel. Ze verwelkomde mij alsof het haar eigen huiskamer was.

En een huiskamer was het, jarenlang voor mij, als studente, de plek waar ik goedkoop kon eten. Ik werd door Koos, de barman, gematst met een ‘halve maaltijd’. Het enige dat er half aan was, was de prijs, tot de bazen het doorkregen en het verboden. Ik dronk een Spaatje Veronica (met ijs en citroen) en ik studeerde vaak aan de tafel in de hoek. Toen nieuwsgierige jongemannen in mijn gynaecologieboek kwamen gluren stuurde Koos ze weg: “Ze moet studeren, wegwezen jongens.”

Ik weet niet of mijn moeder aan Koos had gevraagd om een beetje op mij te letten. Hij deed het in elk geval wel. Tijdens de krakersrellen van 1980 hingen wij uit het raam terwijl de politie de krakers achtervolgde door de straat. We zaten tot laat in de avond opgesloten in het café, totdat Koos aanbod mij in veiligheid te brengen. Met een baksteen in de hand, loodste hij mij door het gewoel naar het veilige Leidseplein.

En dan was er de belangrijkste ‘date’ van mijn leven: eerst naar de opera, toen naar de Schutter, toen dansen bij Jansen, voor de eerste kus, en vervolgens terug naar de Schutter, naar de veelzeggende, goedkeurende,  blikken van Koos…

Wij wonen al lang niet meer in Amsterdam, maar de Schutter is nu de plek geworden waar onze kinderen samen een betaalbare studentenmaaltijd eten. Dansen bij Jansen is al gesloten, en vandaag vrijdag de dertiende sluit de Schutter ook. We gingen er nog eenmaal eten, met het hele gezin. Ik ging nog een keer naar de WC met Eva op de deur en met het krakkemikkige lichtknopje. Alleen de mooie herinneringen blijven.
 
Ik bedacht dat veel kerkgemeenschappen en religieuzen in westerse landen op dit moment het zelfde meemaken: de plekken waar zij thuis zijn gekomen, waar zij een gemeenschap hebben gevonden, waar zij van zijn gaan houden, worden dun bevolkt en moeten soms sluiten.  Hoe kun je dankbaar zijn voor elk moment, dankbaar voor wat er is geweest en dankbaar voor wat er nu wel is. Hoe houd je vertrouwen dat er weer iets moois gaat komen?

Ik denk aan mijn moeders slagzin: ‘Alles komt, alles gaat voorbij, God alleen blijft.’ Ze zei het altijd in het Frans, want dat vond ze mooier: ‘Tout vient, tout passe, seul Dieu reste’.  Misschien is dat een goede gedachten om de vastentijd mee in te gaan.
 
Veronica Selleger